Hoorcollege

Voor mijn “kandidaats” was ik destijds verplicht een “jaaruur” te volgen. Dat bestond uit een wekelijks hoorcollege over een specifiek vakgebied. Ik had gekozen voor een jaaruur Amerikaanse geschiedenis en dat werd gegeven door hoogleraar Schulte Nordholt. Een goede verteller van de oude stempel. De entourage, de collegezaal in het Academiegebouw in Leiden compleet met krakende houten klapstoelen, droeg bij aan de sfeer.

Een verteller van de oude stempel. Geen syllabus, geen boeken en artikelen, gewoon goed luisteren en je aantekeningen maken. Schulte Nordholt nam je mee en schetste het verloop van de Amerikaanse geschiedenis aan de hand van de presidenten en hun belangrijkste daden. En een laagje daarboven vertelde het verhaal van de ontwikkeling van Amerika als natie. Gaandeweg een college kwam je erachter wat hij eigenlijk wilde vertellen. Zijn eigen “kenmerkende aspecten” zal ik maar zeggen.
Het was altijd behoorlijk stil daar, afgezien van een kuch of een kraak, maar er werd goed geluisterd.

Ik ging altijd naar dat college met een aantal bevriende studiegenoten en achteraf wisselde wij aantekeningen uit. Het zal het laatste college voor het paasreces geweest zijn toen een van mijn vrienden, ik zal hem Hans noemen (omdat hij zo heet), afwezig was. Geen probleem, de aantekeningen kwamen er toch wel.

Het eerste college na het paasreces kwam Schulte Nordholt de collegezaal binnen en vroeg waar hij de laatste les geëindigd was. Hans dacht er niet bij na en gaf antwoord. Niemand had het door en Schulte Nordholt ging vertellen. En wij aantekeningen maken. Niets aan de hand.
Totdat op driekwart van zijn uur het langzaam begon te dagen dat de boodschap al eerder was verteld. Toen ook herinnerde ik mij dat Hans er het laatste college niet bij was geweest.

Maar waarom viel die munt zo laat? Omdat hij een ander verhaal vertelde. Met dezelfde achterliggende boodschap. Iedereen met stomheid geslagen: had hij geen aantekeningen voor zich liggen met trefwoorden, jaartallen en feiten?. Kennelijk niet. Kennelijk had hij alleen de beoogde boodschap in zijn hoofd. En de hele Amerikaanse geschiedenis om uit te putten voor de onderbouwing. Wow!

Omdat we een nieuw verhaal hadden gehoord klaagde niemand. Na het college werd er wel over gesproken, maar de studenten noch Schulte Nordholt waren erg van de leg. Alleen Hans dook weg onder een klapstoel. Maar niemand had het gevoel dat hier tijd verloren was. Win-win. Hans had op deze manier geen college gemist!

Stamboeck: De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

Advertenties

11 januari 2011 at 2:50 pm 2 reacties

Demo op de Dojo

Afgelopen maanden ben ik actief geweest met het benaderen van scholen voor het geven van demonstraties van Stamboeck Storyboard. Het ouderwetse handwerk: school bellen voor namen, persoonlijke brief met folder, nabellen. De scheef geplakte postzegel helpt in de marketing, respons omhoog. Helaas werkt dat niet zo bij docenten. Die bel je overdag en dan geven ze les of, lekker een tussenuurtje, zitten aan de koffie in de lerarenkamer. En dan zitten ze niet te wachten op een enthousiasteling die graag iets komt demonstreren. Het gaat niet als een mes door de boter, al zijn de responspercentages goed te noemen.

Van huis uit ben ik een Hagenees. En dan is het wel grappig om de scholen juist daar aan te schrijven. Scholen waarop ik zelf heb gezeten of waar vrienden zaten. Des te groter de teleurstelling als ze niet happen. Zaten daar in mijn tijd niet gepassioneerde vertellers als docent geschiedenis? Wat is daar nu van overgebleven?

Maar eentje hapte. Het Aloysius College. In mijn lagere schooltijd een Jezuïeten-jongensschool. Gerund door paters. Ik was aangenaam verrast.  Het Aloysius College was niet de school waar mijn vrienden zaten. Dan had je het toch over het Nederlandsch Lyceum, het Maerlant Lyceum, het VCL, het Haganum. Maar ik had wel degelijk een verleden bij het AC: de judoclub. Op de lagere school heb ik daar enkele jaren judoles gevolgd, en op toernooitjes ook vaantjes gewonnen! De judoclub lag in het souterrain van het patershuis, dus niet in de school zelf. De grote stimulator was ene broeder Niels, die altijd zittend in zijn rolstoel kwam kijken als er iets te winnen viel. In 1970 is de school samen gegaan met het Edith Stein College, de meisjesschool.

Nu kwam ik dus terug op die school, alhoewel ik nog nooit in het schoolgebouw zelf was geweest. En dat was een grote verrassing. Het gebouw is betrokken in 1925 en ademt nog steeds dat jaartal. Een immense hal die het midden houdt tussen de school van Harry Potter en een druipsteengrot. Indrukwekkend. De bezoeker voelt zich direct heel erg klein en waarschijnlijk was dat ook de bedoeling van de paters destijds.

De gangen zijn ook nooit opnieuw gedecoreerd, het gebouw is als monument behandeld (gelukkig). Lange gangen, grote klaslokalen. En in zo’n omgeving verwacht je echt geen digitale schoolborden. Eerder blackboards met krijttekeningen uit 1925, en schoolplaten. Maar dat was weer een verrassing, die digitale borden waren er dus wel. Modern onderwijs dus.

De demo verliep prima. Een enthousiaste sectie geschiedenis. Tijdens mijn demo houd ik een vurig pleidooi voor het vertellen van verhalen uit onze eigen geschiedenis, om de kenmerkende aspecten van de tijdvakken meer kleur en diepgang te geven. Maar wie vertelde ik dit? Er was wel een digitaal schoolbord, maar voor de klas staand grijnsden de platen van Isings mij tegemoet. Het Beleg van Den Bosch, de moord op Floris V, Willibrord in Utrecht. Dus toch. En als die er hangen, dan zit het met de vaderlandse geschiedenis wel goed op het AC! Niet op de manier van 1925. Duidelijk met de tijd mee, en waarom dan geen gebruik van die prachtige platen?.
We zaten duidelijk op één lijn. Dit keer geen judowedstrijd op het AC.

Stamboeck: De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

2 december 2010 at 11:38 am 6 reacties

Binnenhof by night

Was laatst op bezoek in mijn geboorteplaats Den Haag. Toevallig nét op Prinsjesdag, en dan is Den Haag nog wat drukker. Wel een leuke drukte. Binnenkomend werd ik door bereden politie tegengehouden, want de cavalerie kwam net terug van het paleis. Prachtige paarden en mooie uniformen. Daar wil ik best een paar minuten voor verliezen. Beter dan zo’n stom stoplicht.

Ik wilde voor Stamboeck Storyboard foto’s maken van monumenten en gebouwen die voorkomen in de geschiedenisverhalen. En dat zijn er aardig wat.
Ik begon bij Willem I op Plein 1813. Daar staat het prachtige monument van de intocht in 1813. Mooie standbeelden, maar leuker nog is het stripverhaal rondom het monument. Compleet met mestkar waarin Willem I aan wal is gereden op het strand van Scheveningen.

Vervolgens de monumenten rond het Binnenhof. Naast de Gevangen Poort staat Johan de Witt. Aan zijn voeten een tegel ter nagedachtenis van Aleid van Poelgeest. Naar alle waarschijnlijkheid is zij niet dáár vermoord, maar op het Binnenhof zelf. Vlakbij langs de Hofvijver zit Johan van Oldenbarnevelt, trots kijkend naar de overkant van de vijver. Beetje vreemd is dat wel, juist daar is hij onthoofd.

Op het Plein staat Willem de Zwijger. Op de achtergrond een enorme hoeveelheid kranen die bezig zijn met het zoveelste hoge overheidsgebouw. Alsof hij naar die kranen kijkt en denkt aan hoe de tijden veranderd zijn. Op de achtergrond was een mediacircus bezig om parlementariërs iets zinnigs te laten zeggen over de troonrede. En de dranghekken die ’s ochtends nodig waren geweest werden enigszins lawaaiig weggehaald. Het was eigenlijk een beetje te druk voor het maken van mooie foto’s.

Ik ben ’s avonds terug gegaan. De rust was teruggekeerd. Van Oldenbarnevelt keek nog steeds naar de overkant, nu met een lampje op hem gericht. En op het Binnenhof een donker hoekje waar Aleid best vermoord had kunnen zijn. Met Willem Cuser. Zonder moderne gebouwen op de achtergrond, zonder veel lawaai. En dan komt dat verhaal tot leven. En is dat tripje Den Haag heel erg de moeite waard.

Stamboeck. De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

29 oktober 2010 at 10:49 am 1 reactie

Marat

De Franse Revolutie is ongetwijfeld een van de meest aansprekende gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis. Net als de Slag bij Nieuwpoort kennen wij met zijn allen het jaartal héél goed. En dat is niet verwonderlijk, we hebben de Franse Revolutie ook héél uitgebreid op school behandeld.

Het geschiedenisboekje wijdt een heel hoofdstuk aan deze revolutie, met heel veel plaatjes. We leren van de onthoofding van Lodewijk XVI, we leren van Robespierre en het Directoire, we leren van de sans-culottes en we leren van de bestorming van de Bastille. En we leren van Jean Paul Marat. Één van de spelers in dat lange toneelstuk, een mooi en dramatisch verhaal. Doodgestoken door Charlotte Corday in zijn bad. Hij zat in dat bad vanwege een huidziekte. Het verhaal is treffend geschilderd door Jacques-Louis David, en dat plaatje staat dan ook trots in alle boekjes.

Het geschiedenisonderwijs van nu leert de schooljeugd dat de 18e eeuw, de periode van Pruiken en Revoluties, een kenmerkend aspect kent dat als volgt klinkt: De democratische revoluties in westerse landen met grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap. De Franse Revolutie staat daarin model als het mooiste voorbeeld, met een mooie voorganger in de Amerikaanse vrijheidsstrijd. En dat mooiste voorbeeld leren we dus met alle verhalen die daarin een rol speelden. Ook al zijn die verhalen niet allemaal even relevant.

Om die Franse Revolutie goed erin te krijgen heeft het onderwijs een aantal andere verhalen geofferd. Verhalen uit onze eigen geschiedenis. Want vergeten wordt dat in ons land eveneens een democratische ommezwaai plaats heeft gevonden, en zeker niet alleen naar Frans voorbeeld. Nee vóór 1789. En de situatie was hier anders, want wij waren een republiek met en stadhouder. En díe geschiedenis geeft meer kleur aan het hierboven genoemde kenmerkende aspect (wat een ambtelijke term is dat toch…). Denk eens aan Joan van der Capellen tot den Pol, aan Kaat Mossel, aan Goejanverwellesluis. Aan Willem V en de inval van de Pruisische troepen. Allemaal vóór 1789, en mooie illustraties van de revolutionaire sfeer in ons landje.

Wat voegt Marat dan eigenlijk toe aan de verplichte kennis van de 18e eeuw?. We leren op die manier meer van de verhalen van de Franse geschiedenis dan van de eigen. Natuurlijk moet de Franse Revolutie behandeld worden, natuurlijk moeten onze schoolverlaters daarvan weten. Maar werkt het niet verdiepend als daarnaast meer verteld wordt van de verhalen uit de Republiek aan het eind van de 18e eeuw? Om aan te geven dat het niet een Franse uitvinding was maar een veel bredere beweging.

Voor mij ligt er eens grens bij Marat. Dan leer ik liever van Kaat Mossel. En haar vriendinnen Ruige Keet en Schele Griet.

Stamboeck. De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl.

4 oktober 2010 at 1:43 pm Plaats een reactie

Mijn geschiedenisleraar

Ik zat in Den Haag op school op Het Nederlandsch Lyceum. Een instituut. In de tachtiger jaren door dwalingen in het beleid jammerlijk ten onder gegaan.
Ik heb daar vier geschiedenisleraren de revue zien passeren, ik wilde er twee even uitlichten.

De eerste was de heer Veenhoven. Ik had les van hem in 4 en 5 VWO. Een ouderwetse leerkracht die toevallig ook mijn moeder in de klas had meegemaakt. Tegen zijn pensioen aan. Hij was zó aardig dat hij niet veel hinder ondervond in de klas, de leerlingen vonden hem daar te aardig voor.
Veenhoven was een ouderwetse verteller. Het beeld dat ik van hem op mijn netvlies heb is staand voor de klas, vertellend. Als hij iets wilde benadrukken nam hij een klein stapje naar voren, en dan weer terug. Hoeveel meters hij zo op een dag aflegde liet zich raden. Hij deed weinig met het boek, maar vertelde, en je hing aan zijn lippen.
Hij vertelde meer dan wat de methode aanreikte. En bij een schriftelijke overhoring was hij altijd onder de indruk als je ook meer feiten gaf dan hij vroeg. Zo werden de leerlingen opgevoed met een open goaltje: lange lappen tekst als beantwoording op een vraag met veel informatie die vaak ook niet op de vraag betrekking had. Dat scoorde extra punten. Altijd leuk als je iets moest compenseren.

De tweede kwam pas op onze school toen wij naar 6 VWO gingen. De heer Brummel. Natuurlijk overwicht, geen gedonder in de klas. Ook hij was een verteller, maar op een andere manier. Deelde een spotprent uit en vroeg aan de leerlingen wat zij ervan konden vertellen. Als dat geklungel even had geduurd nam hij het heft in handen en ging vertellen, de prent duiden. Ook hier: je hing aan zijn lippen.
Er was alleen een vuiltje: Brummel wilde tijdens een proefwerk alleen antwoord op zijn vraag. En wij waren met Veenhoven groot gebracht. Met grote verbazing zag hij al die vellen tekst aan en vroeg zich af op welke planeet hij was beland. Er verschenen grote strepen overdwars op het antwoordvel en je kreeg ook mondeling commentaar, een ironisch lachje op zijn mond en in zijn ogen.
Hij besloot uiteindelijk van ons jaar een “overgangsjaar” te maken en niet al te streng op te treden tegen de in zijn ogen veel te lange teksten op de in zijn ogen toch vrij simpele vragen. Uiteindelijk iedereen in de klas happy. Laten de lagere klassen het probleem maar hebben, niet wij in ons laatste jaar.

Veenhoven en Brummel waren leraren die thuis horen in de veel gehoorde tekst: “ik had op school een geweldige leraar waardoor geschiedenis mijn favoriete vak was”. Twee totaal verschillende types maar wat ze gemeen hadden was het vertellen, ieder op zijn eigen manier. En daarom vergeet je die mannen nooit meer.
En geschiedenis is bij uitstek een “vertel-vak”. Dat is vandaag niet meer zo voor de hand liggend, de verhalen zijn uit de methoden gesloopt. Maar elke leraar zou een Veenhoven of een Brummel moeten willen zijn.

De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

7 september 2010 at 11:34 am Plaats een reactie

De tragische keizer

Daar lagen ze dan.

Ik was afgelopen weekend in Wenen, een verjaardagscadeau van mijn beste vriend. Prachtige stad en het weer was te goed, bloedheet. Welkom was dan ook het bezoek aan de Kaisergruft, de onderaardse laatste rustplaats van alles wat Habsburg heet. Een stelsel van aaneengesloten kelders met allemaal meest ijzeren kisten naast elkaar, de een nog flamboyanter dan de andere. Met als absolute hoogtepunt Maria Theresia die een kist heeft waar een hele gouden koets in past. Bizarre plek, herberg van hééél vééél verhalen.

In de éénnalaatste kelder lagen ze dan: Kaiser Franz Josef, zijn vrouw Sisi en zoon Rudolf. Symbolen van de overgang van de oude naar de nieuwe wereld. Tragischer kan bijna niet.

Franz Josef werd als 18-jarig manneke keizer in 1848, op zichzelf al een heel roerig jaar. Hij was keizer van een machtige dubbelmonarchie die dat vierde met grote paleizen, prachtige feesten met royalty uit alle windstreken en jachtpartijen. Franz Josef was zo’n toegewijde workaholic, vulde zijn dag met gesprekken van elk een kwartier van ’s ochtends heel vroeg tot ’s avonds laat.  Militair in hart en nieren, discipline was van het grootste belang.

In 1854 trouwt hij met Elisabeth, prinses van Beieren, beter bekend als Sisi. Een mooie vrouw die iedereen wel van de plaatjes kent. Dat heeft zij goed gedaan, want toen zij wat ouder werd wilde zij niet meer geportretteerd worden zodat iedereen haar nu kent als een mooie jonge dame. Gevoel voor romantiek!  Samen krijgen zij vier kinderen, waarvan één zoon.

Het huwelijk werd hier en daar verstoord door de affaires van Franz Josef, reden waarom Sisi ervoor koos niet altijd thuis te zijn. Zij steunde ook in hoge mate de belangen van de Hongaren en was in dat deel van het rijk ook zeer populair. Dat was niet altijd het belang van Franz Josef. Hier begon de opkomst van de nationale staten al langzaam zichtbaar te worden, en het contrast met oude monarchieën.

Rudolf was de kroonprins, maar van een andere statuur dan zijn vader. Zijn hele jeugd was gewijd aan de opleiding tot keizer, een strak militair keurslijf waar hij zich niet in herkende. Hij hield van kunst en hield van het leven. Een playboy die er graag (in dit geval net als zijn vader) maitresses op na hield. Zijn levensstijl begon steeds meer te wringen in het contact met vaderlief. In 1889 pleegt Rudolf zelfmoord met zijn maitresse Maria Vetsera. Een drama voor de keizer, Sisi en voor zijn vrouw.

Sisi zelf vervalt in een depressie. Om het drama compleet te maken wordt zij in 1898 aan het meer van Geneve doodgestoken door een italiaanse anarchist, die het eigenlijk op andere royalty gemunt had maar geen geld had om verder te reizen. Dan deze dame maar.

Franz Josef had inmiddels gezien hoe in Europa de Duitse eenwording een feit was, de Italiaanse eenwording en een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk was ontstaan. De moderne wereld begon zich aan te dienen. Dat werd des te duidelijker toen in 1914 de kroonprins Franz Ferdinand in Sarajevo werd vermoord door een Servische nationalist. Servisch nationalisme in Bosnië, waar kennen we dat ook al weer van?

Franz Josef ziet geen andere weg dan Servië de oorlog te verklaren. Het begin van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog die duidelijk maakte dat de wereld compleet veranderd was. Massavernietigingswapens en burgerslachtoffers in plaats van veldslagen tussen cavalerieën. Nationale staten in plaats van koninkrijken en keizerrijken. Hij sterft in 1916, midden in de oorlog. Het einde hoefde hij niet mee te maken, zijn rijk werd in 1918 verdeeld.

Er liggen drie kisten in die Kaisergruft die een grote hoeveelheid dramatiek herbergen maar ook staan voor het verdwijnen van een oude orde, vermorzeld door een nieuwe. Maar in Wenen zie je nog altijd de Oostenrijkse hang naar Franz Josef en zijn tijd. Grote paleizen, opera, symphonieën. Mooi dat de tijd daar toch een beetje stil staat.

En in Nederland dan? Hier is nog steeds een koningshuis, hoe kan dat dan? Omdat in Nederland het idee van een monarchie al aan het eind van de 16e eeuw is verdwenen, ondanks Willem I en zijn koninkrijk in 1813. Omdat Thorbecke de zeggenschap van de koning weer aan banden legde.
Een stillere revolutie dan in Oostenrijk, maar eentje waar Franz Josef voor getekend had…

Verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

24 augustus 2010 at 9:52 am 1 reactie

Zoutmijn

Op vakantie geweest in een klein plaatsje in het Oostenrijkse Salzkammergut. Het gebied van de zoutmijnen en de Sound of Music. In dat kleine plaatsje is ook een zoutmijn, het dorp leeft ervan (naast uiteraard het toerisme). Prachtig gebied met mooie bergen en meertjes en houten huizen met veel geraniums. Helaas kan het weer er nogal onbestendig zijn, zo ook nu.

In de “bruine” periode van Oostenrijk (1938 – 1945) was de Führer van plan in Linz een groot Arisch cultureel museum te openen, vol met kunst die geroofd was uit musea elders en uit privébezit van vooral Joodse families. Breugel, Van Eyck, Rembrandt, Dührer etc. Die kunst moest ergens bewaard blijven tot de opening van het museum. En toen de geallieerden aan het eind van de oorlog steeds dichterbij kwamen, werd het bevel gegeven de kunst op te slaan in deze zoutmijn. Veilig in de berg tegen bombardementen en in een ruimte met een perfect constante temperatuur en vochtigheidsgraad.

De Russen trokken op vanuit het Oosten en de Führer zat steeds meer in het nauw in Berlijn. Hij beval de lokale leiders om in het geval van een dreigende bezetting door de geallieerden de ingangen van de mijn op te blazen. Als de geallieerden er maar niet bij konden. De kunst zou dan veilig zijn tot de vijand verslagen was.

Maar in de laatste dagen van april 1945 werden de bevelen vanuit Berlijn niet meer zo gehoorzaamd. De Gauleiter Eigruber meende vanuit Linz dat hij het bevel van de Führer kon overrulen. Hij beval niet alleen de ingangen, maar de hele mijn op te blazen, en wel zo snel mogelijk. Als de nazi’s de kunst niet konden behouden, dan mocht het internationale kapitalistische jodendom deze zeker niet in handen krijgen!

De plaatselijke autoriteiten waren gechoqueerd. Enkele verantwoordelijken voor het cultureel erfgoed, de verantwoordelijken voor de mijn, de mijnwerkers zelf, het verzet: allen waren tegen de uitvoering van dit bevel. Men besloot gezamenlijk dit bevel te saboteren door de uitvoering te vertragen. Uit liefde voor de kunst, maar grotendeels uit liefde voor het behoud van werkgelegenheid in de mijn.

Op het nippertje, op 3 mei 1945, is de kunst gered. De bommen die al in de mijn waren aangebracht werden weer verwijderd. En toen de geallieerden kwamen werd zo snel mogelijk gezorgd voor een goede bestemming van alle kunst. Een enorme schat aan cultureel erfgoed die nu in musea in Wenen, Parijs, Amsterdam etc. te bezichtigen is.

Het museum van de zoutmijn in Altaussee vertelt het verhaal in geuren en kleuren. Een lokaal verhaal met internationale allure. Hoeveel werken die op de Tefaf te bezichtigen zijn hebben ook in deze mijn gelegen? Ik vraag me dat jaarlijks af op deze fantastische kunstbeurs. En jaarlijks keer ik terug naar die mooie streek met dat ongelooflijk spannende verhaal.

9 augustus 2010 at 1:59 pm Plaats een reactie

Oudere berichten Nieuwere berichten


Stamboeck

Alexander Luns

Stamboeck’s Blogs