Posts tagged ‘tweede wereldoorlog’

Waalsdorpervlakte

Toen ik een klein mannetje was woonde ik op de 5e verdieping van een flat die uitkeek op de Waalsdorpervlakte. Aan de andere kant zag ik een glimp van de strafgevangenis van Scheveningen, ook wel bekend als het “Oranjehotel”. Dat zei je nooit zoveel als klein mannetje. Behalve op 4 mei.

Op 4 mei werd bij mij thuis ’s avonds de twee minuten stilte heel serieus genomen. Bij iedereen trouwens. Ik keek dan graag naar de Van Alkemadelaan. De auto’s gingen aan de kant staan. Alles viel stil. Alles. Behalve wellicht een incidentele Duitse toerist in Scheveningen met een diepgeworteld gebrek aan tact.

De oorlog was pas twintig jaar voorbij. Mijn vader en mijn moeder hadden er beiden hun portie van meegekregen.
Toen A.J.P. Taylor in 1960 met zijn boek “The Origins of the Second World War” kwam werd hij in de krant afgeschilderd als advocaat van de duivel. Hij was de eerste historicus die wees op de houding van de grootmachten tegen Hitler in de aanloop naar de oorlog. “Peace for our time” zei Chamberlain in 1938 en zwaaide triomfantelijk met een vodje papier, een overeenkomst met Nazi-Duitsland. Maar zo’n vingerwijzing was nog te vroeg in de sixties.

De meest krachtige herdenking is voor mij het klokkengelui op de Waalsdorpervlakte. Ook op TV te zien, altijd met geruis van een fikse wind in de microfoon. Een mooie nagedachtenis voor allen die daar gevallen zijn. Gefusilleerd.

Mijn moeder had de oorlog als kind meegemaakt, maar wel heel bewust. Alle ellende balde zich samen in haar herinnering aan haar favoriete “oom Jan”. De jongste broer van haar moeder. In het verzet. Gearresteerd door de nazi’s en gevangen gezet. In juli 1943 in Leusden gefusilleerd. Op 4 mei kwam oom Jan altijd ter sprake.
Ik had hem uiteraard nooit gekend, maar ook ik werd stil van dat verhaal. Twee minuten stil voor oom Jan.
Ook mijn kinderen kennen het verhaal van oom Jan. Maar het zegt ze uiteraard veel minder. Een bij-product van al die decennia vrede. Maar ook zij doen mee aan die twee minuten.

Er zijn talloze oom Jannen. En alle verhalen die daarbij horen. Die verhalen maken diepe indruk op kinderen. Ik zou er ook erg voor zijn als alle scholen een keer op 4 mei naar de Waalsdorpervlakte zouden gaan om het klokkengelui te horen. En om even stil te staan bij de oom Jan-verhalen. Een geschiedenis-les die je nooit meer vergeet.

Stamboeck: De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

Volg Stamboeck op Twitter

Advertenties

3 mei 2011 at 2:09 pm 2 reacties

Demo op de Dojo

Afgelopen maanden ben ik actief geweest met het benaderen van scholen voor het geven van demonstraties van Stamboeck Storyboard. Het ouderwetse handwerk: school bellen voor namen, persoonlijke brief met folder, nabellen. De scheef geplakte postzegel helpt in de marketing, respons omhoog. Helaas werkt dat niet zo bij docenten. Die bel je overdag en dan geven ze les of, lekker een tussenuurtje, zitten aan de koffie in de lerarenkamer. En dan zitten ze niet te wachten op een enthousiasteling die graag iets komt demonstreren. Het gaat niet als een mes door de boter, al zijn de responspercentages goed te noemen.

Van huis uit ben ik een Hagenees. En dan is het wel grappig om de scholen juist daar aan te schrijven. Scholen waarop ik zelf heb gezeten of waar vrienden zaten. Des te groter de teleurstelling als ze niet happen. Zaten daar in mijn tijd niet gepassioneerde vertellers als docent geschiedenis? Wat is daar nu van overgebleven?

Maar eentje hapte. Het Aloysius College. In mijn lagere schooltijd een Jezuïeten-jongensschool. Gerund door paters. Ik was aangenaam verrast.  Het Aloysius College was niet de school waar mijn vrienden zaten. Dan had je het toch over het Nederlandsch Lyceum, het Maerlant Lyceum, het VCL, het Haganum. Maar ik had wel degelijk een verleden bij het AC: de judoclub. Op de lagere school heb ik daar enkele jaren judoles gevolgd, en op toernooitjes ook vaantjes gewonnen! De judoclub lag in het souterrain van het patershuis, dus niet in de school zelf. De grote stimulator was ene broeder Niels, die altijd zittend in zijn rolstoel kwam kijken als er iets te winnen viel. In 1970 is de school samen gegaan met het Edith Stein College, de meisjesschool.

Nu kwam ik dus terug op die school, alhoewel ik nog nooit in het schoolgebouw zelf was geweest. En dat was een grote verrassing. Het gebouw is betrokken in 1925 en ademt nog steeds dat jaartal. Een immense hal die het midden houdt tussen de school van Harry Potter en een druipsteengrot. Indrukwekkend. De bezoeker voelt zich direct heel erg klein en waarschijnlijk was dat ook de bedoeling van de paters destijds.

De gangen zijn ook nooit opnieuw gedecoreerd, het gebouw is als monument behandeld (gelukkig). Lange gangen, grote klaslokalen. En in zo’n omgeving verwacht je echt geen digitale schoolborden. Eerder blackboards met krijttekeningen uit 1925, en schoolplaten. Maar dat was weer een verrassing, die digitale borden waren er dus wel. Modern onderwijs dus.

De demo verliep prima. Een enthousiaste sectie geschiedenis. Tijdens mijn demo houd ik een vurig pleidooi voor het vertellen van verhalen uit onze eigen geschiedenis, om de kenmerkende aspecten van de tijdvakken meer kleur en diepgang te geven. Maar wie vertelde ik dit? Er was wel een digitaal schoolbord, maar voor de klas staand grijnsden de platen van Isings mij tegemoet. Het Beleg van Den Bosch, de moord op Floris V, Willibrord in Utrecht. Dus toch. En als die er hangen, dan zit het met de vaderlandse geschiedenis wel goed op het AC! Niet op de manier van 1925. Duidelijk met de tijd mee, en waarom dan geen gebruik van die prachtige platen?.
We zaten duidelijk op één lijn. Dit keer geen judowedstrijd op het AC.

Stamboeck: De verhalen terug in de klas! www.stamboeck.nl

2 december 2010 at 11:38 am 6 reacties

Zoutmijn

Op vakantie geweest in een klein plaatsje in het Oostenrijkse Salzkammergut. Het gebied van de zoutmijnen en de Sound of Music. In dat kleine plaatsje is ook een zoutmijn, het dorp leeft ervan (naast uiteraard het toerisme). Prachtig gebied met mooie bergen en meertjes en houten huizen met veel geraniums. Helaas kan het weer er nogal onbestendig zijn, zo ook nu.

In de “bruine” periode van Oostenrijk (1938 – 1945) was de Führer van plan in Linz een groot Arisch cultureel museum te openen, vol met kunst die geroofd was uit musea elders en uit privébezit van vooral Joodse families. Breugel, Van Eyck, Rembrandt, Dührer etc. Die kunst moest ergens bewaard blijven tot de opening van het museum. En toen de geallieerden aan het eind van de oorlog steeds dichterbij kwamen, werd het bevel gegeven de kunst op te slaan in deze zoutmijn. Veilig in de berg tegen bombardementen en in een ruimte met een perfect constante temperatuur en vochtigheidsgraad.

De Russen trokken op vanuit het Oosten en de Führer zat steeds meer in het nauw in Berlijn. Hij beval de lokale leiders om in het geval van een dreigende bezetting door de geallieerden de ingangen van de mijn op te blazen. Als de geallieerden er maar niet bij konden. De kunst zou dan veilig zijn tot de vijand verslagen was.

Maar in de laatste dagen van april 1945 werden de bevelen vanuit Berlijn niet meer zo gehoorzaamd. De Gauleiter Eigruber meende vanuit Linz dat hij het bevel van de Führer kon overrulen. Hij beval niet alleen de ingangen, maar de hele mijn op te blazen, en wel zo snel mogelijk. Als de nazi’s de kunst niet konden behouden, dan mocht het internationale kapitalistische jodendom deze zeker niet in handen krijgen!

De plaatselijke autoriteiten waren gechoqueerd. Enkele verantwoordelijken voor het cultureel erfgoed, de verantwoordelijken voor de mijn, de mijnwerkers zelf, het verzet: allen waren tegen de uitvoering van dit bevel. Men besloot gezamenlijk dit bevel te saboteren door de uitvoering te vertragen. Uit liefde voor de kunst, maar grotendeels uit liefde voor het behoud van werkgelegenheid in de mijn.

Op het nippertje, op 3 mei 1945, is de kunst gered. De bommen die al in de mijn waren aangebracht werden weer verwijderd. En toen de geallieerden kwamen werd zo snel mogelijk gezorgd voor een goede bestemming van alle kunst. Een enorme schat aan cultureel erfgoed die nu in musea in Wenen, Parijs, Amsterdam etc. te bezichtigen is.

Het museum van de zoutmijn in Altaussee vertelt het verhaal in geuren en kleuren. Een lokaal verhaal met internationale allure. Hoeveel werken die op de Tefaf te bezichtigen zijn hebben ook in deze mijn gelegen? Ik vraag me dat jaarlijks af op deze fantastische kunstbeurs. En jaarlijks keer ik terug naar die mooie streek met dat ongelooflijk spannende verhaal.

9 augustus 2010 at 1:59 pm Plaats een reactie


Stamboeck

Alexander Luns

Stamboeck’s Blogs